Old & Rare: Dr. Abraham Kuyper – Confidentie – original edition 1873

Confidentie – Schrijven aan den weled. Heer J.H. van der Linden

door Dr. A. Kuyper – Uitgever: Amsterdam, Höveker & Zoon 1873 (114 blz.)

Gedrukt op de Amsterdamsche Stoomdrukkeij van Roelofzen & Hubner.

DSCF0217

Voor de prijs van deze zeldzame orginele uitgave, clik hier.

De tekst is gratis te downloaden op via deze link

Een ander exemplaar is hier door te bladeren

Meer informatie over Dr. Abraham Kuyper is te vinden op wikipedia.

Dr. Abraham Kuyper was de oprichter van de eerste politieke partij in Nederland, de Anti Revolutionare Partije (de ARP) en de stichter van de Vrije Universiteit. Van 1901 tot 1905 was hij minister-president van ons land.

 

Een deel van de tekst is hieronder te lezen:

Geachte Vriend en Broeder,

Het stukske door u in het laatste nummer der „Vereeniging” geplaatst doet mij naar de pen grijpen, niet ter zuivering noch ter zelfverdediging, veel min ter kastijding, gelijk gij het noemt, of ter berisping, maar om aan uw welwillend oordeel een korte reeks gedachten te onderwerpen, die misschien uw vluchtige opmerkzaamheid niet geheel onwaardig zullen blijken.

Ge zoudt u dus vergissen, zoo ge in deze bladzijden allereerst en allermeest bespreking wachttet van de geboorteacte dier veelbesproken Vereeniging, die onder den titel van Beraad naar invloed streeft op den toestand eener gemeente wier bediening ons samenbracht. Mij dunkt, er is voor ernstige mannen ernstiger stoffe van samenspreking dan het heilloos haarkloven over nietige bijkomstigheden, die alle beteekenis missen voor den gang van een zoo gewichtig en veelomvattend proces, als ook in onze gemeente, door den drang eener logische, ijzeren noodzakelijkheid, sinds lang voorbereid werd en thans der rijpheid iets naderbij schijnt te komen. Bovendien, ge geeft het mij aanstonds gewonnen, dat de details van zulke verwikkelingen deels niet te constateeren zijn, deels de moeite der constateering nauwelijks loonen. Voorzoover tegenovergestelde meening de feiten met een ander oog doet bezien, blijven ze zich met een hardnekkigheid, die de vreedzaamste vredelievendheid tart, aan voor en tegenstanders verschillend voordoen, en valt op beider oprechtheid niet af te dingen, ook al geeft beider getuigenis een vrij uiteenloopend geluid. Er is, ook in dit splinterig geschil, slechts een zeer klein deel der feiten, dat genoeg objectief is, of, wilt ge, genoeg buiten de personen ligt, om beiderzijds op een zelfde manier gezien en bezien te worden, en dáárover, het zal u blijken, behoeft tusschen mannen van goeden wille geen oogenblik langer verschil te bestaan, dan men dit zelf verkiest.

Er ligt mij iets anders, iets van ernstiger inhoud in het hart, en van mij aak te duchten, zoo ge mij verwijt, dat ik uw kort artikel slechts aangreep, om in vertrouwelijker vorm eenig licht te doen vallen op veel wat niet geheel buiten mijn toedoen gaande is.

Ik kom er voor uit. Sinds lang heb ik naar zulk een gelegenheid gesnakt. Want aan de redactie van een blad te zijn is ten deele een kruis.

Of, is het u niet duidelijk hoe deze twee samenhangen, gun mij dan, dat ik mij verklaar.

Sedert April 1872 sta ik in betrekking tot het dagblad de Standaard. Niet als hoofdredacteur in gewonen zin; ook niet als verantwoordelijk persoon voor geheel den inhoud, maar slechts als belast met een juist afgeperkte, duidelijk omschreven taak. Men heeft mij aangezocht, „om de leiding der hoofdartikelen” op mij te nemen. Niets meer, niets minder. Wat ik daarenboven doe is toegift. Mijn verantwoordelijkheid strekt zich tot die hoofdartikelen uit. Verder niet. In duizend en nogmaals duizend circulaires is dit in rond hollandsch aan het publiek bekend gemaakt. Mijn naam staat niet op het blad. Voor niets meer dan het aangeduide ben ik tegenover wien ook aansprakelijk.

Toch heerscht te dien opzichte een dubbel misverstand.

Vooreerst vindt men goed voortdurend op mijn naam te zetten, wat geheel buiten mij omging, en mij ter verantwoording op te roepen, voor wat ik zag noch las.

En ten andere, gewent men zich aan de slechte gewoonte, om wat door mij als lid eener redactie geschreven wordt, gelijk te stellen met het vrije woord van den op zichzelf staande persoon. Toch tast ge de onbillijkheid van dit bedrijf! Of hoe, eischt het ook nog betoog, dat men, door lid te worden eener corporatie en namens haar op te treden, een deel zijner zelfstandigheid prijsgeeft? Zou samenwerking, op welk terrein ook, niet voor goed zijn afgesneden, zoo elk die tot een bond, tot een maatschappij, tot een vereeniging, tot een corporatie toetrad, ook waar hij in naam dezer collegiën en genootschappen sprak, steeds wilde spreken uit zijn eigen toon? Behoeft het nog herinnering, hoe elk officiëel stuk juist daarin van het persoonlijk woord verschilt, dat de schrijver zooveel doenlijk zijn eigendommelijkheid aflegt, het hem persoonlijk eigenaardige afwijst, en dat gemeenschappelijk gebied zoekt, waarop ieder den tolk, het orgaan eener richting of eener vergadering wacht? En zal men dan van de slechte journalistiek, die aan Amerika’s leven knaagt, de onedele, onware, door en door onkiesche gewoonte overnemen, om hem die dit offer bracht, met persoonlijke aanvallen voor wat de persoon niet verdedigen kan, te straffen. Geen nobel blad in Nederland maakte zich dusver daaraan ook schuldig, en ik ben er overtuigd van, slechts misverstand, slechts onbekendheid met het costumiere recht der betere journalistiek was in het spel, zoo dikwijls enkele ook u bekende broeders mij persoonlijk dagvaardden voor wat de redactie als zoodanig schreef, en soms zelfs zich zoover vergaten, van mij tot in onzen Kerkeraad voor het in ons blad gedrukte ter verantwoording te roepen. Slechts de wetenschap, dat alle man ter zake kundig, dit ernstig „manque de procédé” reeds geoordeeld had, eer het mij treffen kon, bande uit mijn hart de mismoedigheid, die door zoo aanhoudend volgen van „slechte manieren” licht bij mij ware gewekt.

Vraagt ge, waarom ik dan zelf dezen misstand niet wegnam, door òf van de Standaard te scheiden, òf geheel den inhoud voor mijn rekening te nemen, òf ook het door mij geschrevene te teekenen met initiaal, — haast zou ik zeggen, denk even na, mijn vriend! en ge neemt het vragen terug.

Mag ik nu reeds van de Standaard scheiden, zoolang het aan Commissarissen niet gelukt is, iemand te vinden tot overneming van mijn taak bereid? Geloof mij, nooit heb ik er aan gedacht om mij voor altijd aan dit blad te verbinden. Ik begrijp te goed, dat een blad den geheelen persoon eischt, om niet zelf tot plaatsvervanging, zoodra de gelegenheid zich aanbiedt, te raden. Buitendien, mijn ambt is in deze groote gemeente te drukkend en mijn kracht te klein, om op den duur dit dubbel juk te dragen. Reeds nu leed ik er onder en is inkrimping van arbeid mij ten plicht geworden. En drongt ge nog scherper aan, vragend, waarom geheel de oprichting niet achterwege bleef, dan beken ik u gul, dat ik op veel dat sinds ondervonden werd niet was voorbereid, dat ik een jaar geleden nog veel voor zedelijk onmogelijk had gehouden, dat nu maar al te droeve werkelijkheid bleek, en dat, bij onbeduchtheid van gevaar, de drang tot oprichting van een eigen blad mij te sterk scheen om weerstaan te worden. Haast durf ik mij vleien, dat de spoedige ontknooping onzer maatschappelijke en staatkundige toestanden eerlang zelfs den gematigdsten geestverwant erkennen doet, dat zonder een eigen blad de kern onzer Hervormde familiën, en dat noem ik onze richting, meê ware betrokken geworden in het zedelijk bankroet, waarop de onverdedigbare koppeling van de groote Protestantsche partij aan het Ultramontanisme, der eerste tot schade en schande, al meer uitloopt.

Versta, bid ik u, dit laatste niet mis. Tot hen, die de openlijke belijdenis van den Christus nog schuwen en zelfverlaging in toetreding tot onze richting zouden zien, behoort, ook in onze stad, een reeks van achtbre patriciërs en burgergezinnen, wier prijsstelling op godsdienstzin en huiselijken geest ook door mij gewaardeerd wordt. Zelfs erken ik, dat onder onze Conservatieven meer dan één talentvol woordvoerder met ijver en volharding „pro aris et focis” gestreden heeft, niet altijd zonder geluk. Ook mij is het in de omgeving dier mannen vaak beter te moê, dan in den kring onzer nieuw-modische Hollanders, die aan niets hechten, wat u heilig is, en dweepen met wat u koud laat of toorn mengt in uw woord. Gij ziet dus wel, dat ik aan laatdunkendheid geen lust heb, en het goede ook buiten den engen kring mijner geestverwanten weet te waardeeren, ja, zelfs aan velen onder de Conservatieven een goed hart toedraag. Maar zeg mij nu, op úw beurt: Gesteld ik onderschatte het goede dezer mannen, neem aan dat hun lof nog tienvoud breeder ware uit te meten, wat baat ons dit al? Zaagt ook gij u niet, in uw vroegeren strijd tegen den toenmaligen kerkeraad, in uw met streng ostracisme gestraft verzet tegen Dr. Meyboom, in al uw pogen en streven om der waarheid, die naar de Schrift is, de zegepraal te geven, telkens en telkens teleurgesteld, zoo dikwijls ge van deze vroede, goede mannen steun had gehoopt? Waart ge er niet bij, als de uitnemendste vertegenwoordigers onzer Conservatieven in den kerkeraad, bijna zonder uitzondering met de felste modernen in bond traden, om wat ook u heilig en gewenscht was tegen te houden? Zeg mij, zijt gij er niet even zeker van als ik, dat in de ure des gevaars, deze mannen tegenover u, niet naast u zullen staan! Uit wat oorzaak? Uit vijandschap? O, neen. Uit onoprechtheid? Dit nog minder. De oorzaak ligt hierin: Ze hebben de verschijning van onzen Heer Jezus Christus nog niet lief met die alles verzakende liefde, die alle ding, ook naam, rust, aanzien en levensconnectiën schade doet achten, om te meer van Christus te kunnen zijn. Men heeft dit wel eens uitgedrukt door hun beginselloosheid te verwijten, en ik zou haast zeggen: wie den Christus metterdaad als levensbeginsel erkent, kan dit verwijt niet onbillijk keuren. Zelfs de beste onzer Conservatieven teeren van opgelegd kapitaal. Jammer slechts dat godsdienstzin nu eenmaal het eigenaardig karakter heeft, van als kapitaal te vervloeien zoo het door geen eigen geestesarbeid wordt vermeerd.

Op dien stroom mocht ons goede Christenvolk niet meê afdrijven, zou het niet aan verloochening van den heiligsten naam schuldig worden voor zijn Heer. Vooral sinds de mannen van ’53, de antipapisten der Aprilbeweging, de onzedelijkheid van hun manoeuvreeren verraden hebben, door nà twaalf jaar in bondgenootschap te treden met wat vóór twaalf jaar hun als afschrapsel en uitvaagsel gold, werd de mogelijkheid van samenwerking afgesneden en is de Christelijke partij, ter handhaving van politieke trouw en eerlijkheid, eer tot felle bestrijding dezer medewerking verplicht, dan tot langer oogluiken gehouden. Was nu onze richting tot deze pijnlijke plichtsbetrachting zonder leidend orgaan onbekwaam, stond veeleer te vreezen, dat het lezen van andere bladen, wijl men toch een blad moest hebben, dropsgewijs den hardsten steen zou uithollen en door het rusteloos drijven uit ’s Hage als ingedeeld gelden zou, wie zelf niet optrad, hoe kon dan bij ernstig nadenken de onafwijsbare noodzakelijkheid, om een eigen orgaan te scheppen, worden ontkend.

Evenmin lacht me de andere uitweg toe. Teekenen wat men schrijft, geeft ongetwijfeld den auteur zijn persoonlijke vrijheid terug, maar . . . het zet het blad op losse schroeven. Orgaan der richting, niet van een persoon, moet ons blad zijn, zal het zijn gedragslijn getrouw kunnen volgen, ook al legt één der redacteuren zijn taak neer. Denk aan de Nederlander. Ze stierf toen Groen zich terugtrok. Ook de Heraut lei slechts een kwijnend leven, toen Dr. Schwartz naar Londen was getogen. Om het orgaan te laten blijven, ook bij wisseling van personeel, moet de persoonlijkheid zoo weinig doenlijk in een blad uitkomen.

En te doen, wat mij ook wel eens geraden wierd, — heel het blad voor eigen rekening nemen, liever broeder, weet gij niet beter dan iemand, dat dit kortweg onmogelijk is? Vergeet niet dat er zeven nummers elke week zijn, en dat de stukken zóó geschreven zóó ter perse gaan, zoodat men permanent op het bureel zou moeten zijn, om het geredigeerde te keuren. Want of ik het al las, en den tijd miste om zelf terstond in te springen, wat hielp mij dat voor een blad dat aan vaste minuten ter verzending gebonden is? Geloof mij, in verwikkelingen, als waarin dit blad mij brengt, wordt men gewrongen en gedrongen door een macht die sterker is dan onze wil. Er kunnen omstandigheden, er kunnen toevalligheden, er kunnen evenredigheden zijn, die, volstrekt onafhankelijk van ons goeddunken, ons niettemin een weg opdrijven, waar de eerste voetstap vanzelf de tweede schrede zetten doet, en voor langen tijd nóch aan terzijde afwijken, nóch aan stilzitten, nóch aan terugkeer kan worden gedacht.

Op zulk een weg eenmaal geraakt, stuitte ik op driedubbele moeilijkheid: 1º. ik kon het voor den vriend niet opnemen, 2º. den persoonlijken aanvaller niet afslaan, en 3º. zag mij al mijn tijd tot eigen schriftuur ontnomen.

Laat mij u ter staving van mijn eerste klacht alleen op de polemiek in zake Gunning wijzen. Van jaren her is Gunning mij een mijner trouwste vrienden, mij een der geliefdste broeders, een man aan wien ik meer dank dan zijn bescheidenheid gedoogt dat ik belijde, en wiens sympathetisch woord mij vaak in dagen der matheid verkwikking en verfrissching bood. Hij is een der weinigen die genoeg trouw en ernst van karakter bezaten, om bij het compromitterende dat mijn connectiën in veler oog hadden, toch geen oogenblik op afbreking der betrekkingen bedacht te zijn. Gunning is er de man niet naar om de zaken van het hart naar de thermometer van der gevierde lieden gunst te doen dalen of rijzen. Als de meesten u veiligheidshalve mijden, zoekt Gunning u juist op. Hij deed meer dan dit, en sprong reeds tot tweemalen toe ook voor mij openlijk in de bres, toen vinnige tegenstanders zich te ver tegenover mij vergaten. Nu weet gij, hoe Gunning bovendien door heel ’t land bekend is als de man van open vizier, blanke oprechtheid en haast te ver gedreven zucht om u nooit onzeker te laten over wat omgaat en gist in zijn geest. Er is, het mag veilig gezegd, geen publiek persoon in ons land, die deze neiging zelfs zoo bedenkelijk ver dreef als de ook door u geëerde prediker uit de Residentie. En zie, nu durft een inzender in de Standaard (natuurlijk wijl hij Gunning niet kent en waant dat de Gemeente nog eens dupe zal worden van gelijke misleiding als waaraan ze een tijdlang werkelijk ten doel stond) klakkeloos weg verzekeren dat G. achterdeuren openhoudt en met de eerlijkheid speelt. Geloof me, op zulk een oogenblik is het pijnlijk in de duimschroeven van eene redactie te zitten. Ge zoudt warm en met verontwaardiging tegen zulk een lasteren van uw vriend willen opkomen, — maar, vergis u niet . . . . ge schrijft als redactie. Ge zoudt uit langdurige ervaring getuigen willen van een trouw, die noot verdacht werd, een eerlijken zin, die nooit geweifeld heeft, — maar vergis u niet . . . . gij hadt die ervaring, niet de redactie. Ge zoudt uit erkentelijkheid voor vroegeren steun, den trouwen vriend met het schild van uw woord willen dekken, — maar, nog eens, ga niet te ver . . . . van zulk een trouw haar betoond, weet de redactie niets, . . . . en in stede van een woord uit het hart, met sympathie doorgloeid en laster met toornenden ernst keerend, komt een koel en afgemeten frase ten papiere, die objectief den generalen regel handhaaft, maar aan alle persoonlijke levenstint is gespeend.

Te erger nog pijnigt dit, zoo de gang der kwestie u zelf tot tegenspraak van het vriendenwoord noopt. En zoo toch was het hier. In het diepst mijner ziel ben ik overtuigd, dat Gunning in zijn Schriftbeschouwing zich vergist en daarin vooral misgaat, dat hij zich genoopt voelt, de Gemeente aanstonds deelgenoot van zijn inzichten te maken. Dat G. in de Schrift geen „onfeilbaar wetboek” ziet, is niet in kwestie. Zoomin als hij zou ik vrede kunnen hebben met een formule, die het organisch leven der Schrift miskent en voor haar Openbaringskarakter geen plaats laat. Ik verwerp ze ten stelligste. Evenmin komt het in mij op den eerbied te verdenken, die G. aan de Schrift toedraagt. Ik ten minste ken weinig vromen, die de Schrift in hooger eere houden, inniger bij de Schrift leven en veelzijdiger haar kennen, dan de schrijver der gewaagde artikelen over „Geloof en Kritiek”. Ons verschil ligt in de beweerde fouten der Schrift en het mythologisch of onhistorisch karakter van sommige harer deelen. Ook ik kan in de Schrift niet alles rijmen, veelmin zoek ik heil in harmonistisch geknutsel. Ik doe wat Cullman raadt, en wacht van beter licht de opheldering over wat nu nog duister is, en intusschen blijft mij geschiedenis, wat als geschiedenis geschreven staat, en zou voor mij wel terdeeg aan de kiesche teedere heiligheid der Schrift zijn tekort gedaan, zoo Jesaia’s tweede deel niet van Jesaia of de profetien in Daniëls boek niet van den Belsazar aan Nebucadnezar’s hof waren. Wel erken ik, dat er fouten in den tekst kunnen zijn, die door critiek zijn te herstellen; wel geef ik de mogelijkheid toe, dat b.v. 1 Joh. III : 6 een later invoegsel bleek, wel acht ik de kerk geroepen, om met Luther en Calvijn te onderzoeken, of ook sommige Antilegomena werkelijke indringers zijn, maar — bleek dit — dan wil ik ook een Bijbel, waarin die fouten hersteld, die invoegsels geschrapt, waaruit die onechte deelen weggenomen zijn. Immers, met deze kunstbewerking gaat mij niets van mijn Bijbel af, en valt slechts weg, wat Bijbel heeten wilde, zonder Bijbel te zijn.

Maar dat wil Gunning niet. G. vindt een Bijbel, die hem als Bijbel zegt: „Ik heb die onvolkomenheden!” en hij meent een gang in zijnen geest te vinden, die hem nochtans veroorlooft haar schoon geheel den eerenaam te geven van het Woord onzes Gods. Daartoe nu leent zich mijn geest niet. Met hem erken ik onvoorwaardelijk dat gebrekkige psychologie onzen vaderen niet vergunde in het feit der Openbaring en Ingeving een ander dan mechanisch |12| inzicht te hebben, dat thans verouderd en onhoudbaar is. Met hem acht ik het geen eeren, maar misbruiken der Schrift, zoo men, haar te hooi en te gras opslaande, er uit citeert gelijk een advocaat uit zijn wetboek pleit. Met hem leg ook ik den nadruk op de juiste onderscheiding tusschen de Openbaring van het leven Gods in woorden, feiten en schaduwen, en de Beschrijving, die ons van deze Openbaring in de Canonieke boeken gewerd. Maar hierin ga ik niet met hem, zoo de beschrijving van het Geopenbaarde door hem in een zin wordt opgevat die voor tastbare vergissing plaats laat. Voor mij bestaat er een drievuldig Godswerk: eerst de Openbaring, dan de Beschrijving dier Openbaring, eindelijk de vorming van den Canon. Mij is het verband tusschen wezen en vorm te nauw, dan dat in mijn oog het volmaakte van het wezen geen schâ zou lijden, zoo het gegrepen moest in gebrekkigen vorm. Ik weet wel, dat Gunning zonder beding of voorbehoud de volmaaktheid van den zedelijk-godsdienstigen inhoud der Openbaring erkent, al dingt hij af op de gaafheid van den vorm, maar hoe ook bezien, wil het er bij mij niet in, dat aan het gave wezen en ongave vorm door God gehuwd zou zijn. Ik kan nu eenmaal de Openbaring en haar beschrijving niet scheiden gelijk hij wil, en al weerspreekt het zijn bedoeling, op mij blijft de uitdrukking: „Ik onderwerp mij zonder voorbehoud aan een Schrift, die mij gebiedt te gelooven dat ze onvolkomenheden in den vorm heeft”, den indruk maken van een :gJ”$VF4H gÆH •88Î (g<`H, d.w.z. van een gedachtensprong waarmeê men het tweeërlei karakter van verschillende denkbeelden dooreenneemt.

Hierbij komt, wat ik reeds aanstipte: de algemeenmaking van zulk een afwijkende zienswijs door den druk. Ik blijf hiertegen bedenking koesteren èn tegenover de Modernen, èn ter wille van de Gemeente. Vraagt ge of ik niet in mijn ziel overtuigd ben, dat onze moderne publicisten roof plegen door Gunning te annexeren? Maar oordeel dan zelf, lieve broeder, of in het leven de klove, die ons van de modernen scheidt, aan een formule hangt over het Ingevingsbegrip! Een man als Gunning, die het gebouw zijns geestes met ons op de vaste pilaren vest van de belijdenis die in ’s Heeren Godheid, zijn verzoenend Middelaarsschap, Verrijzing uit den dood en Koninklijke heerschappij voor elk Christen gegeven is, wat zou hij in de diepte des geestelijken levens gemeen hebben met de phantasiën van het Modernisme? Mij dunkt, reeds die vraag te stellen is te veel. Maar valt daarmede elke bedenking? Is er ook niet een vorm van verklaring en betoog, waarin we ons geestelijk leven beschrijven? Heeft in het samenstel dezer gedachteuiting de formuleering onzer zienswijs over de Schrift niet principiëel gewicht? En, zoo men hierop uitsluitend let, ligt dan naar eisch der denkwetten Gunning’s omschrijving, hoe schier onmetelijk ver ook van die der Modernen verwijderd, wel zóó ver van hun voorgeven, dat metterdaad het principiëel verschil tusschen beide (ik spreek van den vorm der definitie) aanwijsbaar is? Ook hier zeg ik: ik ontken het niet, maar mij wil het niet gelukken, het woord te vinden, waarin die aanwijzing schuilt.

Van gelijke strekking nu is mijn bedenking ter wille van de Gemeente. Zonder haar herders is de Gemeente machteloos. Dit nu mag ze vooral niet zijn in een tijd, waarin de staat van oorlog van rondsom tegen haar is afgekondigd. En toch, zonder hartelijk en innig vertrouwen baat haar het bezit van de uitnemendste herders weinig. Nu staan we voor een pijnlijk geval. De doode orthodoxie der 18e eeuw heeft den levensgang, waartoe de Hervormers den stoot gaven, ter kwader uur gestuit. Gemeente en Godgeleerdheid zijn daardoor naijverig op elkander geworden, en minder dan ooit is de Gemeente, na den strik waarin het Supranaturalisme haar verschalkte, tot het verleenen van crediet in blanco aan de mannen der Godgeleerdheid genegen. Dien stand van zaken betreur ik met u, maar loochenen kunt ge dien zoomin als ik. De vraag is slechts, welke gedragslijn hieruit voor de leeraren voortvloeit? Forsch aangrijpen of met de omzichtigheid der liefde naderen? Heroïek doortasten of met priesterlijk medelijden ingaan in haar toestand om ze met de kracht der liefde op te trekken? Wat zou raadzamer wezen? Ik stem voor het laatste. Altijd natuurlijk, voor zooverre blanke oprechtheid, de eer van het recht en het getuigenis des Geestes bij deze pathologische behandeling ongedeerd blijft. Derhalve komt de eigenlijke vraag hierop neer: Eischte zuivere oprechtheid en gehoorzaamheid aan den Geest, dat onze broeder Gunning deze dingen in de Gemeente bracht? Dat toch het verspreiden door den druk in voor allen verstaanbaar Hollandsch in onze eeuw althans ten deele, met een spreken tot de Gemeente gelijk staat, wordt van alle zijden toegestemd. Nu komt mij voor dat niemand, in zijn individueel geestesleven, recht heeft om voor zichzelf als uitgemaakt te houden, wat van den leervorm der Gemeente beduidend afwijkt, tenzij de Gemeente, in haar wettig orgaan, er het zegel op hebbe gedrukt. Ook voor mijzelven heb ik over menig punt der hoogste waarheid vaak denkbeelden, die van de geopenbaarde zienswijze der Kerk van Christus afwijken. Edoch, daarmeê dat mij deze denkbeelden door den geest spelen, zijn ze mij, ook voor mijzelven, nog verre van beslist en uitgemaakt. Ik meen, dat de waarheid te grijpen, geen werk van den enkelen persoon, maar van de Gemeente is. Het gemeentelijk oordeel is mij een minstens even onmisbare factor in het onderscheiden van waarheid en leugen, als mijn eigen denken. En heb ik dan al met mijn denken, met mijn conscientie, met mijn persoon, zoo ge wilt, iets als waar vermoed, toch is het mij nog niet als waarheid gestempeld, zoo ook de laatste, onmisbare handteekening, die van het getuigenis des Geestes, niet in mijn hart, maar in de Gemeente, zulk een beweren niet gewettigd heeft. Mij dunkt derhalve dat voor Gunning zelven nog niet als waar mag gelden, wat hem reeds met waarheid gelijk staat, zoolang een zeer beslissende factor methodologisch aan de ijking van zijn resultaat ontbreekt.

Te meer druk ik hierop, omdat niet alle ziel in de Gemeente even sterke beenen heeft om de weelde der gissingen te kunnen dragen. Ook afgezien daarvan dat er geen afval der heiligen is, ben ik in het diepst der ziel overtuigd dat de schrijver van „Geloof en Kritiek” deze slingeringen kan doorleven zonder iets te verliezen in zijn vast geloof aan de Schrift. Maar . . . . is er waarborg dat ook den eenvoudige deze geesteskracht is toebedeeld? Waarborg, dat ook het gebroken riet, dat een steunsel zoekt ter opbeuring, bij deze onvastheid niet terugvalle? Is er waarborg, dat ook de door twijfel geschokte niet een nieuwe hooge golf van aarzeling en onvastheid over de ziel voelt gaan, die hem nog eens neerploft in de diepte, zij het al niet met levensgevaar, dan toch met vermeerdering en vernieuwing van angsten des doods? Ik durf hier geen ja op te zeggen; eer vermoed ik het tegendeel, en mijn bede, dat deze verhandeling had kunnen uitblijven, sproot vooral uit bezorgdheid voor deze „kleinen” in de Gemeente voort.

Voelt ge nu niet, hoe dubbel pijnlijk dit mijne verhouding maakte? Te weten, met wat liefde Gunning de Gemeente des Heeren mint; als met het eigen hart te gevoelen, hoe teeder ook zijn bekommering voor deze „kleinen” is, en dan toch den heroïschen aard van zijn geest tot een stap verleid te zien, die u smart, zonder dat de gebondenheid der redactie u veroorlooft te spreken, gelijk u in het harte is, o, geloof mij, . . . in zulke oogenblikken is al de glans van het redacteurschap voor u ondergegaan in de sombere dofheid eener grievende noodzakelijkheid, die dorst wekt naar beter gelegenheid om nu eens zonder keurslijf op te treden met het vrije woord. Althans, onder het vele waarvoor ik u dankzag, bekleedt niet de minste plaats de mij geboden aanleiding, om u een confidentie te doen, als ik ten zijnen opzichte deed. Wellicht, dat ze onzen broeder Gunning nogmaals tot herziening van eigen standpunt, of voor het minst tot een wederwoord ter verduidelijking leidt!

Ik kom tot mijn tweede ongerief, minder grievend, misschien kiescher van aard, maar dat toch meêtelt: den persoonlijken aanvaller kan ik niet afslaan.

Zelfs mijn felsten tegenstander heb ik op mijn zij, zoo ik beweer, dat men mij niet heeft gespaard. Sinds een viertal jaren sta ik bloot aan onedelmoedige verguizing, die onbewust zich mijn zedelijke vernietiging in der lieden meening ten doel koos. De helft er van kwam mij niet onder de oogen, van veel bereikte mij slechts het gerucht, de volle kracht van het tegen mij gerichte kruisvuur kon ik slechts afmeten naar de bloohartigheid der voorzichtigen, die veiligheidshalve afdropen uit den hoek waar ik stond. Dat men het voor mij opnam was wel een witte raaf. Toch deed men het, en de zeldzaamheid der geboden hulpe, maakte ze mij dubbel gewaardeerd. Gunnings naam is mij ook daarbij het liefst. Zijn connectiën liepen het verst met de mijne uiteen. Mijn partij te nemen, eischte daarom in hem dubbelen moed, dubbele veerkracht der broederliefde. Toch sprak en schreef hij tot handhaving van mijn goed recht vaak warme en vriendelijke woorden, waarvoor woorden hem niet danken kunnen. Van de gescheiden broederen ondervond ik gelijke sympathie, slechts voor een wijle, toen men waande dat broedertrouw mijnerzijds met mindere achting beantwoord was, meer voor den vorm dan in het wezen bekoeld. Ook Dr. Hoedemaker bleef houw en trouw, ten spijt van een verschil waartoe uiteenloopende persoonlijkheid onontwijkbaar drong. Eindelijk zij, eer ik van Groen van Prinsterer spreek, nog het kloeke woord van een tweetal studenten herdacht die in de Vox studiosorum met kalmen stoot een mislukten komiek uit het zadel lichtten, die, verbeeld u, in het frissche leven der studentenwereld zich tot echo dorst leenen voor de onmanlijke bitsheden van een zichzelf overlevend Conservatisme, dat thans moderne waar te koop biedt op de gebroken schaal van Synodale zelfgenoegzaamheid. Groen noem ik, om de uitnemendheid zijner edele toeneiging, naast die allen. Nog vinniger dan men mij, om met Cats te spreken, „een snau toebeet”, heeft men dien sterken geest, althans na Thorbecke’s verscheiden ten onzent zonder wederga, een reeks van jaren door opraping van den vuigsten laster, door de laaghartigste verdachtmaking, door schimp- en scheldtaal, beide van Conservatieven en van Liberalen kant kwaadaardiglijk om de eer van zijn naam zoeken te brengen, hem brandmerkend, hem doodverwend, hem voor een Jezuiet en wat niet al uitmakend op de markt des publieken levens. Groen is dit te boven; de machtelooze woede van zeker dagblad vuurt in de lucht; men kon hem niet aan en, thans zich schamend over eigen laagheid, is men geëindigd met als een van Hollands sieraden den man te eeren, dien men eerst dienst wou laten doen van voetwisch en schabel. Meest nu ziet men, dat de man van zulk een verleden, ter bewaring van eindelijk gewonnen prestige, den zwakkeren medestrijder prijsgeeft, om het kittelachtig oor van den tegenstander te sparen. Bij Groen hiervan geen zweem. Veeleer scheen het of overdrijving van sympathie zijnerzijds tegenwicht moest bieden aan de buitensporigheid van den laster, als had het pijnlijke van eigen ervaring slechts de vatbaarheid des mede lijdens in zijn ridderlijke borst verhoogd. Beets eerde zijn „meerdere” zij het ook „zijn andere” als een onzer „beste karakters.” Zoo mannentrouw nog als burgerdeugd geldt, bewees hij dien adel van karakter ook aan mij. Dat ik van andere broeders niet rep, is wijl ze zelf, als publicisten, mij de stof tot erkentenis onthielden, want wat aan broeders, voor de pers schrijvend, min edel ontglipte zij liever vergeten, dan vermeld. Tot zelfs de „Étendard sanglant!” van Dr. Bronsveld, hoe onkiesch en moeilijk verdedigbaar ook voor den Heer, zij van harte, om zijns naamswil, vergeven!

Neen, mijn persoonlijke aanvallers schuilen elders en de niet-orthodoxen doorzagen uitnemend met hun fijnen blik, dat de slagen die ik toebracht, hén, nooit mijn broeders troffen, ook al trad soms een der broeders met de vijanden in gelid. Hun bitterheid was aan het instinctmatige van dit besef geëvenredigd. Ten minste het moet, naar men mij zei, aan zelfbeheersching, manlijken ernst en humaniteit om het zeerst gespeend zijn geweest, wat een reeks moderne predikanten uit wrevel tegen hun onbehagelijke en gewrongen positie, vooral in provinciale en andere bladen, maar ook in maandschriften en periodieke brochures, hun eigen richting tot schande, dorsten neerschrijven. Vooral een stukske, dat ik onder den titel van Fata Morgana in het licht zond, schijnt diep gewond, en daarom tot dubbele bitsheid geprikkeld te hebben. Aan mijn ambtgenoot van Gorkom schijn ik, tot mijn spijt, de droeve eer niet te mogen betwisten, van in dezen wedstrijd der vinnigheden, het vinnigst, het minst nobel te zijn geweest. Niet dat ik zijn invective las, maar in de Vox Studiosorum, het studenten-tijdschrift, vond ik, dat de pamflettist onder mijn Collegen, ook blijkens zijn kritiek op mij, lust heeft in „krabben en bijten en snijden en doorsnijden,” — en men weet van in het fatsoenlijke plukharen houden studenten anders ook wel. Het moet dus exceptioneel zijn geweest en tot het exemplair noemen van zijn naam in dit ongeestelijk bedrijf mij alleszins rechtgevend. Of bevreemdt het u, dat ik zoo ter loops zei, een stuk als van Gorkom’s „los” geschrijf niet gelezen te hebben, lieve vriend, ik doe dat nooit. Komt er iets tegen mij uit, dan hoor ik eerst van anderen, uit wat hoek de wind waait, en zeggen mij dan, gelijk in het onderhavig geval, modernen en orthodoxen beiden, dat de uitval tegen alle ridderlijke costumen zondigt, dan stel ik mij niet-lezen tot plicht. Ik ken mijn hart. Ik weet, dat het zaad der bitterheid ook in den bodem mijner ziel een akker vindt, die goede vrucht belooft, en ik acht, dat niemand met een vrij geweten bidden mag: Heer! leid mij niet in verzoeking! — die de zelfbeheersching mist om het gif van zulk een geschrijf onaangeroerd te laten. Ik heb dit den heer van Gorkom zelven gezegd. Gij begrijpt hieruit tevens, waarom ik geen antikritiek gaf.

Toch heeft dit niet repliceeren nog een anderen grond. Mijn trouwe vriend en leermeester, de hoogleeraar M. de Vries, te Leiden, die van de zij van zijn ambtgenoot van Vloten op soortgelijke manier bejegend werd, als mijn collega van Gorkom goedvond tegen mij in practijk te brengen, een man aan wiens helderen blik en bezielende uitdrukking ik meer dan aan eenig ander mijner leeraren dank, prentte mij onder meer ook deze les van uitnemende levenswijsheid voor den auteur in: „Geef nooit anti-kritiek. Hebt ge iets gezegd, dat op den proef bezwijkt, dat het bezwijke. Was het waar, dan zal het werken, beter nog door eigen kracht dan door uw repetitie!” Daar heb ik mij aan gehouden en wel bij bevonden. Reeds nu heeft de ontwikkeling der toestanden anti-kritiek geleverd, beter dan ik het kon. Waagde ik het op de omvattende beteekenis, maar innerlijke gebrekkigheid van de uitvoering, aan artikel 23 gegeven, te wijzen, thans reeds zoek ik ten dezen opzichte mijn wederpartijder. Brak ik een lans voor waarheid in het heiligdom door „de leugen in de kerk” ten toon te stellen, het zondige van dit onware en onzedelijke karakter onze kerk wordt thans alzijdig erkend. Brandmerkte ik het Nut, als door ontrouw aan eigen statuut banierdraagster van het modernisme geworden, het geschrift van mijn ambtgenoot Hugenholtz drukte nog onlangs op deze zienswijze het zegel, en de storm er door gewekt gaf slechts echo op wat ik in ’69 beweerd had. Veroorloofde ik mij in „de werking van artikel 23” het onhoudbare van ons representatiesysteem te wraken en hen te weerspreken, die van den nieuwen toestand voetstoots wonderen wachtten, bijna copijelijk vond ik nog dit jaar dezelfde gedachte in het vlugschrift van Dr. Cramer c.s. Weerstond ik in „de kerkelijke goederen” het algemeen College van Toezicht, bewerend, dat zijn spel met het Voorloopig Besluit onverdedigbaar was voor het recht, èn kantongerecht, èn rechtbank, èn hof, en wat meer zegt, het Algemeen College zelf door zijn tweede circulaire, hebben al te gader mijn stelling beaamd. Drong ik in „de Vrijmaking der kerk” op het samenroepen eener Constituante, zij het ook langs anderen weg hebben thans de heeren |20| Cramer, Hasebroek, Bronsveld, de Graaf, de Marez Oyens en Pierson hetzelfde redmiddel voorgeslagen. Trok ik in de „Eenvormigheid” tegen de doodende vereveningsmanie onzer nieuwmodische volksverleiders te velde, in schitterender taal dan ik dat kon heeft prof. Quack, soms met dezelfde beelden, in zijn „Traditie en Ideaal” hetzelfde monster betookt. Profeteerde ik in De Christelijk Nationalen op Schoolverbond uit de beginselloosheid van dezen bond zijn kwijnend leven, reeds nu weet ieder, dat Schoolverbond fiasco maakte en het zelfs in de hoofdstad nog nooit tot een afdeeling bracht. Hief ik de historische banier van het Gereformeerd karakter onzer kerk op, om, met afsnijding van een partijindeeling die zich om personen groepeerde, een vereenigingspunt te stellen, dat wortelde in een diep geestelijk verleden, reeds nu begint die vaan in eere te komen en werd hij ook van irenische en ethische zij met voorliefde genoemd. Kwam ik, uit dorst naar vrijheid, op tegen het dwangstelsel door de Geneeskundige wet gehuldigd, reeds nu heeft onze vriend Gunning tot in de gehoorzaal van de Vereeniging voor koepokinenting hetzelfde systeem met de hem eigene warmte bepleit. Dorst ik beweren, dat de Antirevolutionaire partij om den tuin geleid werd door de veel zwakkere Conservatieven, ge weet, hoe de eerste maal dat men korte metten met het onzedelijke bondgenootschap maken dorst, de onbeduidendheid der Conservatieven aan het licht trad en tot in de stipte cijfers mijn voorzegging werd gestaafd. En nu, mijn Fata Morgana, leg deze lezing eens naast het laatste werk van Strausz, zoo ge het in eigendom bezit, op uw schrijfbureau, en zeg mij of zich pijnlijker bevestiging van mijn aanklacht tegenover onze moderne tegenstanders denken laat? Aan u durf ik dit schrijven, wijl ik weet, dat gij van laakbare zelfverheffing rechtmatige zelfverdediging weet te onderscheiden. De H. Apostel van Tarsen heeft u dit met mij geleerd.

En toch zou antikritiek ook naar de Vries bedoeling, soms plicht zijn geweest, zoo de anonymiteit van het redacteurschap mij geen stilzwijgen had opgelegd. Er kan een aanval tegen u gericht worden, die niet de zaak in kwestie, maar de persoon raakt, en dies opheldering gewenscht maakt. Gij weet, men spaarde die ook mij niet. Gun mij een drietal voorbeelden: de Zeister Conferentie, ons Weeshuis en de Vaccinekwestie.

De driehonderjarige gedachtenisviering van het Convent te Wezel had het denkbeeld doen rijpen, om de oude vriendschapsbanden tusschen de Duitsche en Hollandsche Zusterkerken weer aan te knoopen. Ziel dezer beweging was mijn vriend van Toorenenbergen, onze uitstekende historiekenner, een man, wiens denkbeelden men niet deelen moge, maar wiens verdiensten ieder eert. Billijkerwijs mocht men dus verwachten, dat een Conferentie, geboren uit de herdenking van den geloofsstrijd onzer vaderen, en van duitsche zoowel als hollandsche zijde door geloovige mannen in het leven geroepen, haar christelijk-gereformeerd karakter toonen of allengs winnen zou. Door een samenloop van omstandigheden geschiedde echter het tegendeel. Althans van Hollandsche zijde, geraakte de leiding der Conferentie allengs geheel in handen van twee kleine fractien onzer kerk, de ethische en de groningsche. Niet dat ik in strengen zin elk der leden van het moderamen bij een dezer fractien indeel, — genoeg, dat niemand ontkennen zal noch kan, dat én de Modernen én de Utrechtsche school, én de Confessioneelen én de Gereformeerden, ik zeg niet met opzet, maar dan toch feitelijk waren buitengesloten. Dit wekte te meer beduchtheid toen te Emden aan een uitnemend aanhanger der Groninger richting het stellen van een verslag werd opgedragen, dat blijkens den titel „Abgestattet vom Secretariate” een officieel karakter droeg. In dit verslag toch werd tegen Modernen en Confessioneelen met gelijke felheid te velde getrokken en het echt Christelijk standpunt in een oppervlakkig middenpuntzoeken aangewezen, waardoor mannen als onze de la Saussaye metterdaad gecompromitteerd en de Groningsche denkbeelden namens het moderamen gesanctioneerd werden. Zoozeer dat een onzer geliefde Amsterdamsche predikanten een betuiging in den mond werd gelegd, als kon men met modernen in Christus samen zijn, — een woord dat hij, gelijk ieder vermoeden kon, openlijk verklaard heeft, nooit te hebben gebezigd.

Onder zulke auspiciën werd de conferentie te Zeist geopend. Vooraf had ik onzen hooggeachten broeder de la Saussaye mijn bedenking tegen den gang van zaken meêgedeeld en van mijn voornemen om een beslissing uit te lokken, kennis gegeven. Zijn vriendelijk antwoord liet mij hiertoe vrijheid, zelfs onder bijvoeging, dat hij niet dacht te repliceeren. Wat heb ik toen op de Zeister conferentie gedaan? Ik heb gevraag, „of de tijd niet gekomen was, om de Conferentie te doen worden, wat ze beweerde te zijn maar niet was: een band tusschen de twee zusterkerken. Mij kwam voor, dat daartoe twee wegen openstonden. Men kon, òf het kerkelijk standpunt kiezen, mits men er dan, met behoud van Ethischen of Groningers, ook Modernen en Gereformeerden toeliet, òf zich op het standpunt der geloovige Schriftaanvaarding plaatsen, mits men dan ook de Groningers voor de Gereformeerden uitwisselde. Persoonlijk heb ik den Hoogleeraar de Groot, wiens vriendschap mij vaak verplicht had, den lof toegezwaaid, waarop zijn karakter en geleerdheid recht had, maar ook de deelen der christelijke belijdenis genoemd, welker bestrijding hij zich tot een deel van zijn levenstaak had gekozen. Ik eindige met de verzekering, dat alleen zucht naar waarheid mij tot spreken gedrongen had, dat ik de besproken kwestie te gelegener tijd, naar goedvinden van het moderamen, in discussie wenschte te brengen, en voorts vooruit protesteerde tegen elk vermoeden, alsof de Conferentie mijn liefde niet had. Ik wenschte niets vuriger dan haar instandhouding en toeneming van haar bloei!” Tegen dat onschuldig woord nu is een storm losgebroken, waarde vriend, waarvan gij, die er niet bij waart, u geen denkbeeld kunt vormen. Een predikant, die bij me stond, dorst zeggen: „Dat is uit den duivel!” Gesis, getrap, |23| gestamp, gestommel en voorts alle onedel hulpmiddel, om mij het spreken te beletten. Een der leden van het moderamen hield een speech, die mijn bedenking van verre niet raakte en meer op een uitval geleek tegen de antirevolutionaire partij. Mij werd gezegd dat niet de levende Christus voorwerp onzer aanbidding was, maar de belijdenis ons idool (sic)! Een Groninger predikant gaf in warme woorden een geloofsbelijdenis, die volkomen staafde, wat ik beweerd had, en zoo Dr. Fabri en Ds. Kögel niet de motie hadden gedaan, dat het moderamen de zaak met mij bespreken zou, ware ik denkelijk zonder antwoord naar huis gegaan. Die motie werd echter met overgroote meerderheid aangenomen. Vooral de belijdenis van den Groninger had de opinie te mijnen gunste gekeerd. De uitvoering der motie laat zich intusschen nog steeds wachten. Immers, moeielijk kan daarvoor gelden de betuiging mij den volgenden morgen door één der leden van het moderamen gedaan, dat hij geen de minste gemeenschap des geestes met mij had. De zaak rust dan nu voorloopig, tot het moderamen zijn volgend program algemeen zal maken, en onze hoop is nog niet schokt, dat onze Christenbroeders ten leste zullen inzien dat „das Standpunkt der Naivität” gelijk Fabri den grondslag der Conferentie hoogst vernuftig karakteriseerde, hoe uitnemend ook voor den aanvang, voor den voortgang van geen ernstig en Christelijk werk past.

Nu deelt gij, geachte vriend! mijn inzichten lang niet allen, maar ik wil u dan toch gevraagd hebben, wat was er in deze kwestie door mij misdaan, om zoo onheusche, onridderlijke en onbroederlijke bejegening voor den Heer te rechtvaardigen? Had ik de feiten onjuist geconstateerd? Maar immers dan had men mij kunnen weerspreken. Had ik iemand beschuldigd? Maar immers, elke gedachte aan opzet had ik uitdrukkelijk buitengesloten. Was mijn voorslag onbillijk? Maar immers, ik had een dubbelen weg opengelaten, en zelf aangewezen, op wat manier men de Groningers voor de Conferentie redden kon. Of zal men er mij een verwijt van maken, dat ik Prof. de Groot in zijn tegenwoordigheid gekarakteriseerd heb als een godgeleerde, die de belijdenis van den Drieëenigen God en van de schuldverzoenende kracht van Jezus bloed ontkende en bestreed? Maar haast zou ik hierop vragen, lieve vriend, of dan zij die dit beweerden wel hebben nagedacht, hoe diep juist door hén, niet door mij, de grijze hoogleeraar in zijn karakter als man van overtuiging gekrenkt is. Of is het dan geen feit, dat genoemde hoogleeraar in een reeks opstellen en verhandelingen, door den druk voor ieder toegankelijk, met open vizier deze stukken van ons allerheiligst geloof heeft aangetast? Nu zou ik toch zeggen, van tweeën één: òf hij staat nóg in deze overtuiging, òf hij is teruggekeerd. Staat hij nog waar hij weleer stond, dan vraag ik, wat den man van karakter liever kan zijn dan te bespeuren, dat men hem de overtuiging toekent, die hij werkelijk heeft, en of iets hem grievender smaden dan het vermoeden, dat hij zich ooit of ergens zijner overtuiging schamen zou? Of omgekeerd, kwam hij tot ander inzicht, gelooft hij thans wél aan de Drieëenigen God, zoekt hij thans wél den zoen der zonden in het bloed des Kruises, zeg zelf, ware het dan ook maar van verre mogelijk geweest, dat hij niet aanstonds na mijn spreken de tribune beklommen had, om eere te geven aan dien God drieënig, dien hij eertijds voorbijgezien, en dankbre hulde te brengen aan dat „albetalend bloed”, dat hij met pen en woord zulk een reeds van jaren miskend had. Dat ware schoon, dat ware zielverteederend geweest! Helaas, we mochten dien avond niets van zijn lippen hooren, dan de aankondiging, dat de bulle „Unigenitus” door zijn zorgen in nieuwe uitgaaf zou verschijnen voor het publiek!

Ook over ons Weeshuis heb ik u wat te zeggen. Ik sta op het punt mijn geestelijken arbeid in die Stichting der Gemeente aan onzen pas gekomen broeder, den kundigen Van Ronkel, over te dragen, en maak daarom nu geen langer geheim van wat ik in dit Godshuis deed. Er zijn weinig deelen van mijn ambtelijke werkzaamheid, waarbij ik zoo zichtbren zegen van mijn God ervaren mocht, als ik op dit terrein telkens ondervond, en ik acht ook te dier oorzake openbaarmaking schier een heilige plicht.

Bij mijn komst in dit huis, voor ruim twee jaren, vond ik deze stichting geheel in moderne handen. Alleen de jongens waren zoo gelukkig in onzen kundigen Cramer en den ijverigen godsdienstonderwijzer Dolman, leiders van het catechetisch onderwijs te bezitten, die hun den Christus openbaarden naar de Schrift. Aan de meisjeszij daarentegen leeraarde de heer van Gorkom, terwijl een modern godsdienstonderwijzer aan het hoofd der voorbereidende klasse stond. Modern waren bovendien de vier dames-regentessen en de coryphaën uit het Regentenbestuur, de ook u om zijn wakkerheid bekende Moltzer en om zijn ijver nooit verdachte Van Doorn, maakten van hun moderne sympathiën allerminst een geheim. Een vluchtige blik in de organisatie van het huis toonde dan ook, dat uitnemendheid van materieele verzorging, helaas, gepaard ging met volstrekte afwezigheid van dat hoogere beginsel, dat slechts daar werkt, waar de levende Christus zelf middelpunt is van alle levensuiting. Het was een zonderlinge rhapsodie in dat huis. Keurige administratie, maar slaapzalen waar veel dat zich niet noemen laat, in afwachting der nieuwe stichting, naar verbetering uitzag. Uitstekende orde, maar meer door strenge tucht dan liefdekracht verkregen. Een orthodoxe school, maar een stel ietwes Groninger gebeden. Veel voorlezen uit den Bijbel, maar een Deugdenafphabet in de zalen prijkend. Een prachtige St. Nicolaasavond, maar een Kerstfeest zonder kindervreugde. Een nette gymnastie, maar een slapende bibliotheek. IJverige behartiging van de belangen der weezen, maar indifferentie op het stuk des geloofs: de zuster modern, de broeder orthodox opgevoed, en beide beurtelings ter kerke geleid naar moderne en orthodoxe predikanten. Kortom, het synodale stempel was ook hier herkenbaar: bureaucratische volkomenheid, ten spijt van de edelaardigste bedoelingen te kort doende aan de rechten van den geest. En meen nu niet, dat deze schets ten doel heeft de vroegere regenten hard te vallen. Ach! ondanks het weinig lieflijke dat de heer Van Doorn te mijnen laste uitstrooide, blijf ik hem, blijf ik zijn ambtgenooten, blijk ik ook de dames regentessen eeren om hun trouw en ijver. Zelfs zooveel uitnemends vond ik in deze mannen en vrouwen, dat er onverbiddelijke vastheid van overtuiging toe behoorde om niet door hun voortreffelijkheid (en ik zeg dit in vollen ernst,) te worden verblind. Ik voelde diep hoe smartelijk de crisis moest zijn die kwam, en beter dan zij, weet de Kenner der harten, wat het mij vaak kostte, tegen hen te staan, gelijk ik stond.

Maar mocht ik aarzelen? Beleed niet de Kerkeraad den Christus? Rustte niet op dien Kerkeraad de verantwoordelijkheid voor den geest die heerschte in de stichtingen der Gemeente? Had men hier niet met levende haaf, met onsterfelijke zielen te doen, en getuigt niet God, driemaal heilig, schier op elke bladzijde van zijn Woord, dat Hij den zegen afmeet, naar wat men aan zijn weezen doet?

Uit dien hoofde stond mijn besluit van meet af vast: alle macht, die den Kerkeraad wettig ten dienste stond, moest te hulp geroepen, om den Christus naar de Schrift tot bezielend element te maken van dit Godshuis.

Aan dat beginsel toetse men mijn gedrag.

Ik begon met veel de weezenbeurt te zoeken, om door de prediking van het Woord toegang te verkrijgen tot de harten der kinderen. Dit bleef niet geheel zonder vrucht. Althans het duurde niet lang of eenige leerlingen van den heer van Gorkom vervoegden zich ten mijnent, om onderwijs in de leer van Christus te ontvangen. Voorloopig wees ik dit af. Mij waren de jongens ter catechisatie aangewezen. Niet dan in het uiterste geval wilde ik mij indringen op anderer terrein. Dit liep eenige maanden. Het Paaschfeest kwam, en Ds. De Graaf was beroepen. Hieruit vloeide voort dat Dr. Van Gorkom eerlang zijn catechisatie zou moeten overgeven, en nu nog voor korten tijd, met de catechisatie van een nieuw jaar beginnen. Ik begaf mij daarop ten zijnen huize, gaf hem kennis van het verzoek mij gedaan, en vroeg hem, of het, alles wel overwogen, niet beiderzijds raadzaam ware, dat hij van een nieuwen cursus afzag, en mij voor korten tijd de beide catechisatien toevertrouwde. Dit verzoek drong ik aan met de verklaring, dat ik mij, bij weigering zijnerzijds, verplicht zou achten in der weezen vrijen tijd een catechisatie ten mijnent te openen. De heer Van Gorkom sloeg dit verzoek, na rijp beraad, af. Na overleg met het bestuur ben ik daarop mijn catechisatie begonnen, en ontving ten mijnent wie uit vrijen aandrang tot mij kwam. Zoo bleef het tot de komst van onzen broeder De Graaf. Zijn komst was mij eene verkwikking. In volkomen samenwerking des geestes mocht ik in het Weeshuis met hem arbeiden, en zoo er iets goeds tot stand werd gebracht heeft de gemeente dit vooral aan zijn kloeke, niets-ontziende medewerking te danken. Toch stond ik op mijn catechisatie alleen en leerlingen van den heer Van Gorkom over te nemen is voor iemand van onze overtuiging, gelijk gij gevoelt, een uiterst moeielijke taak. Bij de overdracht gaf mij min vriendelijk te kennen, dat zijn leerlingen op tegenstand waren voorbereid en alras bleek van dit beweren de droeve waarheid. Het catechetiseeren met deze kinderen was letterlijk niet te doen.

De schriftelijke antwoorden die ik ontving vloeiden over van bitterheid tegen de orthodoxie en van smaad tegen den Kerkeraad. Eindelijk was er zelfs ééne, die mij openlijk brutaliseerde en hiermeê het sein gaf tot een maatregel, dien ik reeds lang in den zin had. Ik wilde vrijheid, geen dwang, en verzocht daarom de Regenten slechts de zoodanigen op mijne catechisatie te plaatsen, die dit vrijwillig verkozen. De uitslag was gelijk ik voorzien had, dat de grootere helft terugging. Sinds heb ik met niet ééne van deze meisjes een enkel woord gewisseld, tot ze zich uit eigen initiatief weer aanmeldden. Slechts wie uit vrije beweging terugkwam zou mijn leerling zijn, en zoo heerlijk heeft de Heer het stelsel van vrijheid ook ten deze gekroond, dat ik nu onlangs het aandoenlijke oogenblik beleefde, om ze op enkelen na alle op belijdenis van den Christus te kunnen aannemen. Achtereenvolgens waren ze met verzoek om toelating tot mij gekomen, en bij de meesten bespeurde ik, dat herinnering uit het ouderlijk huis de macht was geweest, die ten leste een betere stem in de conscientie had doen weerklinken. Toch paste in het heilige de uiterste omzichtigheid, en ik heb daarom voor de aanneming de teruggekeerden nog afzonderlijk toegesproken, ze vermanend, om liever nog dat eigen oogenblik de stem te verheffen, dan uit bijoorzaak of om stoffelijke beweegreden een belijdenis van den Christus der Schriften te doen, die niet volkomen oprecht was voor het hart. Voeg hier nog bij, dat ook het meisje, dat door haar brutaliteit den stoot tot splitsing gaf, sinds het huis verliet, maar na een diepen weg in zonde te zijn doorgegaan, door moderne ervaring van het Modernisme genezen, ten leste verootmoedigd tot den Christus is teruggekeerd, en ge zult begrijpen, gij die geestelijke dingen geestelijk weet te keuren, met wat dankbre vreugd aan Hem, die alleen de harten bewerkt, ik mijn taak in deze stichting neerleg.

Wat ik buitendien voor dit Godshuis deed, deed ik, met ééne uitzondering, als lid eener Commissie. Daarvan geve men dus niet mij, maar haar, al naar men gelieven zal, den smaad of de eer.

Die ééne uitzondering was de verandering die in de verkiezing der Regentessen kwam. Dusver werden deze feitelijk door coöptatie gekozen. Gevolg hiervan was, dat de moderne dames, ook na den ommekeer in onze kerkelijke wereld, haren invloed op de kinderen bleven behouden. M.i. was dit niet eerlijk, niet naar beginsel gehandeld. Ik heb daarom verandering van het desbetreffende wetsartikel voorgesteld en de Kerkeraad heeft hiertoe besloten. Dat vooral dit voorstel mij euvel werd geduid is ten volle begrijpelijk. Men is gewoon, tegenover vrouwen de uiterste kieschheid in acht te nemen, en man men u in verdenking brengen van tegen deze wet der wellevendheid gezondigd te hebben, dan is de schijn natuurlijk tegen u. Mijn eenig verweer ligt dan ook in mijn vraag aan de edele vrouwen zelve, wier herbenoeming ik bemoeielijkte: of zij zelven den man niet verachten zouden, die Schillers „Ehret die Frauen!” in den zin verstond, alsof ook overtuiging en beginsel de prijs mocht zijn van preutsche galanterie.

Voorts is niet door mij, maar door de Commissie, een Zondagschool in het Weeshuis geopend, die, in twee klassen ingedeeld, met een 60 tal monitrices uitnemend werkt. Mijn geachte Collega de Graaf houdt beurtelings met mij de Voorbereidingsure, waarin het te behandelen deel van Gods Woord met de monitrices besproken wordt.

Veel wat nog buitendien tot de taak dezer Commissie behoort, wacht op afdoening. Alleen de godsdienstoefening op den Zondag is nog door haar gewijzigd. Ge weet, dusver liet men de weezen beurtelings een streng orthodoxe, beurtelings een fanatiek-moderne preek aanhooren. Nu stelde de Commissie zich eenvoudig de vraag, of wij zelf persoonlijk met onze eigen kinderen zoo handelen zouden, — en kon het antwoord hierop niet anders dan ontkennend luiden, dan vloeide hieruit ook van zelf voort, dat men zich van liefdeloosheid zou te beschuldigen hebben, zoo men voortging aan onze weezen te doen, wat een vader en moeder voor zijn eigen kinderen zou verfoeien. Toetsing aan de eischen de paedagogiek leidde tot een gelijke uitkomst. Stel voor een oogenblik, dat men het verschil tusschen modernisme en orthodoxie onverschillig acht, dan nog is het als toppunt van ongerijmdheid te veroordeelen, dat men jonge kinderen, waaronder er van negen en tien jaren zijn, bij wijze van godsvereering, den éénen zondag „ja” leert zeggen, op wat den volgenden Sabbath met even wettig gezag wordt ontkend. Stel u, het Paaschfeest is weêr aanstaande, den ouden gang van zaken voor: den eersten Paaschdag treedt b.v. onze Ten Kate op en zet de kinderen in gloed voor Hem die uit het graf verrees; en den volgenden morgen wordt dezelfde kansel door, laat ons zeggen, den heer Van Gorkom beklommen, die in even boeiende taal aan dezelfde kinderen een ontkenning der Opstanding leeraart. Behoeft, bid ik u, de ongerijmdheid van zulk een systeem nog aanwijzing, en dankt ge niet met mij de Regenten, die den kloeken moed hadden, althans aan dezen misstand een einde te maken. Mij dunkt de pasgeboren „Vereeniging tot bevordering van zelfstandig godsdienstig leven”, kon moeielijk van eigen onbevoegdheid en onzelfstandigheid schitterender bewijs geven, dan door tegen zúlk een maatregel te protesteeren!

En ziedaar dan nu ook al, want van de Commissie tot stichting van een nieuw Weeshuis kan ik zwijgen. Wat ik te dezen opzichte deed, deed ik slechts voor mijn negende deel als lid der „Commissie van negen”, en het dubbele feit, dat hierin de ook door u hooggeachte Modderman zitting heeft, en schier elk besluit dusver met eenparige stemmen genomen werd, ontslaat mij van de pijnlijke taak om de minder vriendelijke woorden van een der oud-Regenten te beantwoorden. Ten overvloede verwijs ik naar een verslag dier Commissie, dat eerlang staat gepubliceerd te worden. En nu, vraag ik u in gemoede, mijn vriend en broeder! wat is er in deze dingen dan nu eigenlijk geschied, dat niet alzoo behoorde gedaan te zijn. In trouwe, dat men niet gelooft, dat verloren gaat wie uit den Zoon het leven niet ontving; ik begrijp het, maar wat ik niet begrijp en nooit begrijpen zal, het is, dat men deze waarheid belijdt, deze waarheid aan anderen verkondigt, en nochtans eer berisping dan toejuiching veil heeft, zoo men ook de „Kinderen der Gemeente” voor een kiezen tegen dien Zoon zoekt te behouden.

Bij de bespreking van mijn derde voorbeeld kan ik korter zijn, het betreft de Vaccine-kwestie.

Gelijk gij weet heeft de Standaard, en ik kom er voor uit, met mijn volle sympathie, zich krachtig te weer gesteld tegen de invoering van den Vaccine-dwang, en met open vizier een agitatie tegen het desbetreffend wetsvoorstel bewerkt.

Vooral om dien stap heeft men mij gehavend, meest op vinnige, soms op kinderachtige manier. Tot overmaat van bitterheid zocht men zelfs mijn eerlijkheid in verdenking te brengen. Verbeeld u, zelfs op een stembureau heeft men zich bij een geneesheer geinformeerd of ik werkelijk gevaccineerd was!

Laat mij eerst de feiten constateeren. Mij zelf zijn de koepokken ingeënt en tot tweemaal toe ben ik gevaccineerd. In mijn gezin hadden destijds, op ééne na, allen de koepokinenting ondergaan en heb ik ook bij de laatste epidemie allen de gelegenheid tot revaccinatie aangeboden, hoewel twee mijner huisgenooten dit weigerden. Mijn persoonlijk standpunt tegenover de vaccinekwestie is, dat ik, ook na kennisneming van de laatstelijk geopperde bedenkingen, geen vrijheid meen te hebben, ze af te wijzen, al wordt haar waarde m.i. door mannen van het vak overschat. Het getuigenis van Gods Woord bevat m.i. geen protest er tegen, en uit wetenschappelijk oogpunt houd ik het voor uitgemaakt, dat de gevaccineerde in den regel niet door pokziekte zal worden aangetast, al is daarom versperring van dien uitgang voor mij nog geen vernietiging van het element, dat zich in deze ontzettende ziekte pleegt te uiten.

Ik hoop dat deze vrij duidelijke verklaring thans alle nieuwsgierigheid bevredigen zal.

Maar, zeg zelf, kon ik dit nu namens de redactie schrijven? Wordt een redactie gevaccineerd? Is de redactie van een politieke courant bevoegd een wetenschappelijke opinie over eenige geneesmethode te hebben? Heeft de N. Rotterdamsche eene opinie over de genezing der typheuze ziekten door koude baden? Bovendien — de geachte medeleden mijner redactie zullen mij deze confidentie niet euvel duiden — we waren het metterdaad oneens; er zijn er onder ons die zelf niet gevaccineerd zijn en zich uit beginsel tegen de koepokinenting verzetten. Hoe kon dus de redactie, in haar kwaliteit als zoodanig, antwoorden op de niets ter zake doende vraag, of de koepokstof al dan niet ook mijn deur was ingedragen.

Met opzet heb ik daarom van meetaf streng onderscheiden tusschen verzet tegen de vaccine, en verzet tegen haar oplegging door dwang. Tegen het laatste, niet tegen het eerste heb ik geägeerd. Voor gewetensvrijheid niet voor een medische kwestie heb ik gestreden. Ik heb gewild dat de Nederlandsche Staatswet niet tegen Neêrlands historie en Neerlands zedelijke roeping zou indruisen.

Een enkele vraag is genoeg, om de ondoordachtheid en min goede trouw der tegen de Standaard toenmaals strijdende pers in helder daglicht te stellen.

Vraag aan de N. Rotterdamsche, vraag aan het Handelsblad of ze voor volksonderwijs zijn, en immers ze antwoorden met ons: van heeler harte!

Maar nu ook vraag diezelfde bladen of ze zijn voor leerdwang en zij antwoorden u door artikelen waarin ze de leerplichtigheid bestrijden.

Wat wil men dan? Zij vóór leeren, tegen leerdwang. Ik voor de vaccine, tegen vaccinedwang. Men toone me hier het onderscheid!

Onze scherpzinnige Gunning heeft het met volkomen juistheid gezegd. Het is iets anders of men u dwingt iets te laten, iets anders of men u dwingt iets te doen. De Staat mag u dwingen slechts ééne vrouw in wettig huwelijk te hebben. De Staat mag u dwingen niet onzedelijk op den openbaren weg te zijn. Maar de Staat mag u niet dwingen soldaat te worden, een eed te doen, gevaccineerd te worden, zoo deze dingen u tegen uw conscientie zijn. Ook de verplichte krijgsdienst is een vrucht der revolutie die te keer moet gegaan, en het vrije Amerika heeft tot den huidigen dag zich aan invoering dezer tyrannie onttrokken.

Acht men het nu lakenswaard, in het vrije Nederland voor vrijheid van geweten, dweepziek en bekrompen om voor persoonlijke burgervrijheid, verachtelijk om, al loopt men zelf vrij, voor den bedrukten landgenoot te strijden, welnu, lieve vriend! dan zij die driedubbele blaam mijn deel, mits men mij den moed mijner onbekeerlijkheid gunne. Want ik geef u de verzekering, dat, keerde de kans en stonden we weer voor denzelfden toestand, ik nogmaals met onzen Groen, onzen Gunning, onzen Brummelkamp een dwang zou bestrijden, wier bepleiting alleen denkbaar is in organen, die om het roepen van vrijheid den echten vrijheidsmaak verleerd hebben.

En nu mijn derde klacht, dat de tijd voor schriftuur onder eigen naam mij ontging.

Doch, mij dunkt, daarvoor scheldt ge mij het bewijs licht kwijt. Gij die Amsterdam, die onze Gemeente, die mijn werkkring kent, zult me niet van verspelen mijner snipperuren beschuldigen. Al was het maar onze Kerkeraad, waarin ik u zoo noode mis en hartelijk verlang u terug te zien keeren! Reeds de Vergaderingen en Commissiën en Rapporten en Memoriën van dezen Raad, denk aan het „Vergrijp der zeventien ouderlingen”, eischen een tijdsbesteding en krachtsinspanning, die voor eigen studie, laat staan voor eigen schriftuur, elken beschikbaren avond afsnijden.

En waart ge nog niet overtuigd, doe dan voor bewijs het abrupt afbreken van deze Confidentie dienst. Ik had u liefst, al wat mij op het harte lag, op eenmaal voorgelegd, maar de uitgever dringt, en hoe ik ook met mijn uurtjes woekerde, hoe rad ik mijn pen ook loopen liet, vooral de aanneming van lidmaten heeft mijn dagen deze week zoo duchtig besnoeid, dat ik tegen wil en dank moet afbreken. Misschien bereikt u het vervolg reeds, nog eer een volgend nummer der Vereeniging verschijnt.

Ik weet dat uwe welwillendheid mij deze vertraging ten goede houdt. Wees dan tot weêrzien met waren broedergroet onzen Heer bevolen, heb een heerlijk Paaschfeest, en blijf in liefde denken aan

uwen u liefhebbenden broeder,

Q.N.

Amsterdam, 29 Maart 1873.

Gratis verzending NL, wat vlekjes op de voorkant, roesplekjes, wat onderstrepingen met potlood en een paar markeringen in de kantlijn, linnen gelijmde rug, ingenaaid, onafgesneden, goede antiquarische staat, rare, zeldzaam exemplaar gedrukt op de Amsterdamsche Stoomdrukkeij van Roelofzen en Hubner. Trefw: verzuiling, constitutionele vrijheden, Calvinisme, Kuyperiana, Theological Seminary in Princeton, predikant, Disquisitio historico-theologica, kerkopvatting, Calvijn, Laski, Kuijper, vrijzinnige domine, CDA, ARP, Anti-Revolutionaire Partij, Antirevolutionair ook in uw Huisgezin, stemrecht voor de vrouw, Groen van Prinsterer. Keuchenius.

Dit bericht is geplaatst in Uitgelicht met de tags , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *